Original posted on 18/06/2009 by bloglions
“Références”, wekelijkse bijlage van meerdere kranten en tijdschriften, volledig aan human resources gewijd, publiceert deze week een zoveelste artikel over de generatie Y waarover ik je in de twee vorige artikelen heb onderhouden. Op hetzelfde ogenblik publiceert een intern tijdschrift van een Service Club de bedenkingen van een lid van 65 jaar (lid sedert quasi 20 jaar) over de wil van ouderen om nog te dienen voor zover een aangepaste structuur dit toelaat. Als ik mijn artikel vandaag hieraan wijd, is dat omdat er niet enkel de recrutering is – en dus van de jongere generatie – waarmee de Service Clubs zich moeten bezighouden. Degenen die al lid zijn, zijn er ook nog – dus van een oudere generatie -, soms lid sinds lange tijd, en die wij beter zouden moeten houden, waarvan wij meer zouden moeten profiteren (in de nobele zin van het woord natuurlijk). Aangezien ik in deze blog nooit persoonlijk wil worden, citeer ik mijn bron opzettelijk niet en identificeer ik noch de auteur noch waarvan hij deel uitmaakt. Ik rapporteer hier enkele van zijn bedenkingen.
“Zolang wij in de kracht van ons leven zijn, beantwoordt het samen met vrienden aan goede werken doen aan een motiverend ideaal. Dan komt het pensioen en op zeker ogenblik een vermoeidheid bij zware organisatorische werken, t.t.z. het progressief niet meer in staat zijn tot fysische inspanningen om tenten op te bouwen, zware spullen te verplaatsen, tonnen oude kleren te verzamelen, enz… Er komt zelfs een tijd dat enkel nog de ontmoeting met de overlevende vrienden de hoofdmotivering wordt en geleidelijk ondervinden sommigen dat zij zich in onze activiteiten niet meer op hun plaats voelen en wenden zij zich naar alternatieve verenigingen die zich uitsluitend op ontspanning richten.”
“En hier wil ik een discussie op gang brengen en een voorstel doen : op pensioenleeftijd hebben we een belangrijke levenservaring, een maximale maturiteit en wijsheid opgedaan en zijn we beschikbaar. Dit potentieel wordt niet door een aangepast structureel voorstel in mijn Service Club benut. (…) Degenen die voorheen betrokken waren met economie, sociologie, politiek, filosofie, psychologie, antropologie, communicatie, wetenschappen, talen, de mensheid… zijn interessante makkers om samen te werken en samen na te denken, maar in wezen is elkeen die met zijn levenservaring wil meebouwen een persoon van onschatbare waarde.” (…) “Wat ik wil opwerpen, is een weg om de leden van een Service Club te dynamiseren door het perspectief van een “Service Club van de 3de leeftijd” die ons toelaat actief te blijven en ons langer dan nu te valoriseren (…) Dit is misschien een gunstige aanzet voor (…) om binnen onze Clubs een nieuwe en geïntegreerde aanpak aan boord te leggen om elkaar te ontmoeten en om te dienen.”
In de burgerlijke maatschappij is er een redelijk brede consensus om het verlies van valorisatie van competenties, van ervaring, van wetenschap, enz… van personen op rijpere leeftijd te betreuren. Dit verlies is er ook in de Service Clubs. Wij ontslaan onze ouderen niet, maar wat doen we met hen ? Meestal niets en dit is even schadelijk… Ligt onze heil enkel bij de jongeren en de nieuwe leden ? Zijn onze ouderen er uitsluitend om het aantal leden ? Hoe moeten we ons organiseren opdat elkeen bij ons, hoe oud hij of zij ook moge wezen, zich nuttig voelt en zelfs nodig ? Wie, binnen de Service Clubs, houdt zich ermee bezig om de werking te harmoniseren, zo goed mogelijk aan te passen aan de doeleinden van de leden en aan de maatschappelijke realiteit die evolueert, voor te stellen te reageren, aan te passen, te veranderen… ??? Wanneer gaan we hierover in gesprek ? In welke instantie ?
Gearchiveerd onder: De "wereld" is veranderd